FOTO #132 #133 #134






Nederlands beste muziektijdschrift, Wah-Wah, brengt deze maand een speciale editie in de winkels, samengesteld door Joost Zwagerman. Losjes gebaseerd op een eerder project van de Amerikaanse muziekjournalist Greil Marcus, vroeg de heer Zwagerman maar liefst 100 schrijvers/journalisten/muzikanten om eens stukje te schrijven over het album dat zij mee zouden nemen naar dat prachtige maar zo eenzame Onbewoonde Eiland waar men zo graag over fantaseert.
Ook ik mocht in gedachten even afreizen naar dit krankzinnigmakend stukje paradijs in de oceaan, en had daarbij Niandra LaDes and Usually Just a T-shirt van John Frusciante in mijn knapzak. Hieronder een fragment uit mijn stuk.
Een schor One, two, three, four. Twee gitaren klinken; een akoestische zet een eenvoudige melodie in en een elektrische scheurt daar dwars doorheen. De verbazing komt pas met Frusciante’s stem. Deze krijst verontrustend maniakaal vrijwel onverstaanbare teksten terwijl de elektrische gitaar stoïcijns doorjankt. Samen met de stem vormt het gitaargekrijs een krankzinnig duet waarbij geen van de partijen zich bewust lijkt van de aanwezigheid van de ander. De akoestische gitaar kiest geen partij door onvermoeibaar de basismelodie op de been te houden. En dan is er, plotseling angstaanjagend helder, dat ene repeterende zinnetje: I’m happy as can be ,I’m happy as can be, I’m happy as can be . Frusciante’s stem daalt en rekt het laatste woord uit. Het vervormde be-he-he-he sluit de eerste track van Niandra LaDes onverwachts af. Nog 23 tracks te gaan.
In mijn huis worden de muren niet door meesterwerken uit de beeldende kunst gesierd. Niet zozeer omdat ik deze niet kan bekostigen van mijn armzalige salaris maar omdat ik schoonheid liever zoek in een oude ansichtkaart, een folder van de buurtkapper of een op straat gevonden pasfoto. Het feit dat ik die gefotografeerde besnorde meneer tussen de straattegels vandaan heb geplukt, maakt mijzelf de kunstenaar. Ik wroet in de modder en kom overeind met een parel tussen de tanden. In Frusciante’s modderpoel Niandra LaDes is de pareldichtheid oneindig. Ik schuif het schijfje in de cd-speler en jaag de schoonheid na. Een flard poëzie, opgevangen uit de opeengeklemde kaken van de zanger of ontcijferd uit het krabbelhandschrift op de hoes. Een prachtige melodielijn die volgt op een wirwar van gitaarklanken. Een beeldschone valse noot. De outro van de track Mascara. Wie zoekt, die vindt. Ik glimlach stilletjes in mezelf want Niandra LaDes is van mij. Ik heb de moeite genomen om te zoeken dus ik ben de kunstenaar.
De nieuwe Skrien is uit en ook in dit nummer is mijn column Parallellen te vinden. Ditmaal vergelijk ik Nicolas Roegs Don't Look Now met Stanley Kubricks The Shining.
Water. In het ene openingsbeeld is het een weidse rivier waar de camera laag overheen scheert. In de andere openingsscène is het een treurig slootje op een druilerige middag. Er zijn meer overeenkomsten tussen Stanley Kubricks The Shining (1980) en Nicolas Roegs Don’t Look Now (1973). Beide zijn bovennatuurlijke horrorfilms. Beiden werden gebaseerd op een boek, de een geschreven door Stephen King en de ander door Daphne du Maurier. En dan is er nog het gezin in de hoofdrol, de omineuze symboliek, het gebruik van de kleur rood en het grandioze slot dat alle puzzelstukjes samenbrengt zonder dat ze daadwerkelijk in elkaar passen.
De overeenkomsten tussen de twee meesterwerken zijn talloos. En toch zijn de verschillen opmerkelijker. De ‘shining’, zo wordt in het begin van de film uitgelegd, is de gave van helderziendheid. Danny, het zoontje van Jack en Wendy Torrance, heeft die shining. Al voordat hij met zijn ouders naar het afgelegen Overlook Hotel afreist om er de winter in totale afzondering door te brengen, weet hij van het kwaad dat er schuilt.
In Don’t Look Now is het vader John die de shining heeft, al weet hij dat zelf niet. In de magistrale openingsscène springt hij plotseling op en rent hij naar de sloot waar zijn dochtertje aan het verdrinken is. In een tergende slowmotion verdwijnt het meisje met het beroemd geworden rode lakjasje onder het oppervlak van het groene water. Ze is dood tegen de tijd dat haar vader haar bereikt.
Camera
Kijkend naar de verschillen tussen The Shining en Don’t Look Now lijken ze vooral tot uiting te komen in het camerawerk. Kubricks camera wiegt, deint, sluipt of onthult gaandeweg een tafereel. Met een tempo dat net niet traag maar ook niet gejaagd is, lijkt de camera nog het meest op een trefzekere achtervolger. En een achtervolger komt nooit nabij. Een achtervolger blijft op afstand.
Lijnrecht tegenover dit onderkoelde camerawerk staat de handheld camera uit Don’t Look Now. Roegs camera blijft juist dichtbij zijn personages en staat volledig in dienst van hun bewegingen. Pas als een kind verdrinkt, een glas breekt of een gezicht in een spiegel verschijnt, twijfelt de camera niet. Dit is het moment waarop we moeten opletten, zegt het verstilde beeld.
De afstand die Kubrick de camera in The Shining laat nemen, weerspiegelt de afstand die hij zelf neemt ten aanzien van het verhaal. Dat de regisseur in het bovennatuurlijke gegeven van zijn film zou geloven, lijkt ondenkbaar. Als meester-verteller gelooft hij enkel in het verkopen van dat gegeven. Roeg zit echter naast je in de bioscoopstoel en voelt dezelfde opwinding als jij. De verkoper Kubrick probeert zijn toeschouwers te overtuigen met zijn verhaal, terwijl Roeg juist zijn twijfels met hen deelt. Zelfs zijn zoekende camera is besluiteloos.
Voor zijn verkooptechniek gebruikt Kubrick een filmtaal die iedereen kent. De overdaad aan sinistere voortekenen, de hartslag- en windgeluiden op de soundtrack, de griezelige koppen van de hoofdrolspelers; Kubrick maakt met al deze horrorclichés welhaast een parodie op het genre of gaf er, zo u wilt, een postmoderne wending aan. Het werkt. Kubrick verkoopt zijn verhaal moeiteloos. Maar achteraf realiseer je je dat de regisseur geen verkoper is. De man is een oplichter.
Lucht
Dat Roeg zijn verhaal minder zelfverzekerd aan de man brengt, neemt echter niet weg dat zijn verkoopwaar net zo goed lucht is. Ook Roeg voert vele dreigende omina op en monteert ze in de meesterlijke slotscène aan elkaar alsof het een optelsom is. Pas als de credits in beeld verschijnen, beginnen we ons af te vragen wat de uitkomst van die som dan wel niet is.
Natuurlijk is cinematografie een grote zwendel en wordt de kijker maar al te graag in de maling genomen. The Shining bewijst Kubricks gave als grootse bedrieger, maar Roeg doet er nog een schepje bovenop.
Kubricks hoofdpersonages, twee echtelieden die maar weinig genegenheid voor elkaar tonen, lijken niet belangrijker dan hun onheilspellende omgeving of Danny’s angstaanjagende visioenen. Allen maken slechts deel uit van het alfabet van Kubricks filmtaal.
Roeg voert daarentegen een paar van vlees en bloed op dat het hart van de film vormt. Waar The Shining ontegenzeggelijk eng is, daar is Don’t Look Now ook nog eens hartverscheurend. En precies daarin schuilt het belangrijkste verschil tussen de twee films. Beide laten enkele bloedstollende beelden achter op je netvlies. Maar na het zien van Don’t Look Now hoor je ook nog Johns schreeuw als hij in het luchtledige tuimelt, zie je Laura’s glimlach als ze zich eindelijk met het overlijden van haar dochtertje verzoent en voel je Johns armen die Laura in een omhelzing sluiten.
The Shining, Stanley Kubrick, Verenigde Staten, 1980, Warner Home Video
Don’t Look Now, Nicolas Roeg, Groot-Brittannië, 1973, Studio Canal (import)

Mrt 2009
Feb 2009
Jan 2009
Dec 2008
Nov 2008
Okt 2008
Sep 2008
Aug 2008
Jul 2008
Jun 2008
Mei 2008
Apr 2008
Mrt 2008
Feb 2008
Jan 2008
Dec 2007
Nov 2007
Okt 2007
Sep 2007
Aug 2007
Jul 2007
over basje boer: basje schreef een boek (arbeiderspers, ISBN 90 295 6363 x), studeerde fotografie (rietveld academie, 1998-2003), speelt in een bandje en draait plaatjes.
basje boer is ook te vinden op myspace en op daily marple.
mail basje boer